المفردات
305 كلمة · صفحة 2 من 13
broekA1
بنطال
Deze broek is te lang.
bruinA1
بني
Ik eet liever bruin brood.
computerA1
حاسوب
Mijn computer is heel langzaam.
daarA1
هناك
Daar staat mijn fiets.
dagA1
يوم
Elke dag ga ik naar mijn werk.
dankjewelA1
شكرا لك
Dankjewel voor je hulp.
delenA1
يقاسم، يقسّم
We delen de kosten samen.
denkenA1
يفكر
Ik denk dat het goed komt.
derdeA1
الثالث
Wij wonen op de derde verdieping.
dertigA1
ثلاثون
Ik ben dertig jaar oud.
dichtA1
مغلق
Op zondag zijn de winkels dicht.
dichtbijA1
قريب
De school is heel dichtbij.
dikA1
سميك
Trek een dikke jas aan.
dingA1
شيء
Wat is dat voor een ding?
doeiA1
وداعا
Doei, tot morgen!
doekA1
قطعة قماش
Veeg de tafel af met een doek.
doenA1
يفعل
Wat doe je in het weekend?
doorA1
عبر؛ بسبب
We liepen door het park.
doosA1
صندوق
De boeken zitten in een doos.
dorpA1
قرية
Zij komt uit een klein dorp.
dragenA1
يرتدي؛ يحمل
Hij draagt een zwarte jas.
drieA1
ثلاثة
De les duurt drie uur.
dromenA1
يحلم
Ik droomde vannacht over mijn familie.
droogA1
جاف
De was is nog niet droog.
duizendA1
ألف
Er kwamen duizend bezoekers.

