المفردات
22 كلمة · صفحة 1 من 1
zachtA1
ناعم
Dit kussen is lekker zacht.
zakA1
جيب؛ كيس
Mijn sleutels zitten in mijn zak.
zeepA1
صابون
Was je handen met zeep.
zeggenA1
يقول
Wat zei je?
zekerA2
متأكد
Weet je dat zeker?
zeldenA2
نادرا
Ik ga zelden naar de bioscoop.
zelfA1
بنفسه
Dat heb ik zelf gemaakt.
zesA1
ستة
We eten om zes uur.
zestigA1
ستون
Mijn vader is zestig geworden.
zettenA1
يضع (قائما)
Zet de stoel bij het raam.
zevenA1
سبعة
Een week heeft zeven dagen.
zeventigA1
سبعون
Buiten de bebouwde kom mag je zeventig.
zienA1
يرى
Ik zie je morgen.
zijnA1
يكون
Ik ben blij dat je er bent.
zingenA2
يغني
Op verjaardagen zingen we een lied.
zittenA1
يجلس
Zij zit op de bank.
zoA1
هكذا
Doe het zo.
zoekenA2
يبحث
Ik zoek mijn sleutels.
zonderA1
بدون
Koffie zonder suiker, alstublieft.
zorgenA2
يحرص؛ يعتني
Ik zorg dat het op tijd klaar is.
zullenA1
سوف
Zullen we koffie drinken?
zwartA1
أسود
Hij heeft zwarte schoenen aan.

