Словник
277 слів · сторінка 1 з 12
aanbiedenA2
пропонувати
Zij bood aan om te helpen.
aandringenB1
наполягати
Hij bleef aandringen op een antwoord.
aankomenA2
прибувати
Wij komen om acht uur aan.
aanmeldenB1
записуватися, реєструватися
U kunt zich online aanmelden.
aanpassenA2
пристосовувати(ся)
Je moet je aanpassen aan de nieuwe regels.
aanradenB1
радити
Ik raad je aan om vroeg te komen.
aanrakenA2
торкатися
Raak de hete pan niet aan.
aansprekenB1
звертатися до, робити зауваження
Ik durfde hem er niet op aan te spreken.
aansturenB1
керувати
Zij stuurt een team van acht mensen aan.
aanvragenB1
подавати заяву на
Je kunt de toeslag online aanvragen.
aanvullenB1
доповнювати
Wil iemand dat nog aanvullen?
ademenB1
дихати
Probeer rustig te ademen.
aflossenB1
погашати (борг)
We lossen de lening in tien jaar af.
afmeldenB1
скасовувати запис
Vergeet niet je af te melden als je niet komt.
afrekenenA2
розрахуватися
Ik ga even afrekenen.
afsprekenB1
домовлятися
Zullen we iets afspreken voor vrijdag?
afwassenA2
мити посуд
Wie wast er vanavond af?
afwijzenB1
відхиляти
Mijn aanvraag is afgewezen.
antwoordenA2
відповідати
Hij antwoordde niet op mijn vraag.
bakkenA2
смажити, пекти
Ik bak een ei voor het ontbijt.
bedankenA2
дякувати
Ik wil je bedanken voor je hulp.
bedervenA2
псуватися
Vlees bederft snel in de warmte.
bedoelenB1
мати на увазі
Wat bedoel je precies?
beginnenA2
починати(ся)
De les begint om negen uur.
begrijpenB1
розуміти
Ik begrijp de vraag niet helemaal.

