Je EigenRoute
ВхідРеєстрація

Словник

62 слів · сторінка 1 з 3

  • delenA1

    ділити(ся)

    We delen de kosten samen.

  • denkenA1

    думати

    Ik denk dat het goed komt.

  • doenA1

    робити

    Wat doe je in het weekend?

  • dragenA1

    носити

    Hij draagt een zwarte jas.

  • drinkenA1

    пити

    Wat wil je drinken?

  • dromenA1

    бачити сни, мріяти

    Ik droomde vannacht over mijn familie.

  • durvenA1

    наважуватися

    Ik durf het niet te vragen.

  • fietsenA1

    їздити на велосипеді

    Ik fiets elke dag naar school.

  • gaanA1

    йти, їхати

    Ik ga morgen naar Amsterdam.

  • gelovenA1

    вірити

    Ik geloof je wel.

  • gevenA1

    давати

    Geef mij het zout, alsjeblieft.

  • hebbenA1

    мати

    Wij hebben twee kinderen.

  • hetenA1

    називатися, зватися

    Hoe heet jij?

  • hopenA1

    сподіватися

    Ik hoop dat het lukt.

  • horenA1

    чути

    Ik hoor je niet goed.

  • houdenA1

    тримати; любити (van)

    Ik houd van koffie.

  • huilenA1

    плакати

    De baby huilt de hele nacht.

  • kennenA1

    знати (когось)

    Ken je die man?

  • komenA1

    приходити

    Kom je vanavond ook?

  • kopenA1

    купувати

    Ik koop brood bij de bakker.

  • krijgenA1

    отримувати

    Ik heb een brief gekregen.

  • kunnenA1

    могти, уміти

    Kun je mij helpen?

  • lachenA1

    сміятися

    We hebben veel gelachen.

  • leggenA1

    класти

    Leg het boek op tafel.

  • liggenA1

    лежати, знаходитися

    Het boek ligt op tafel.