Словник
396 слів · сторінка 7 з 16
kansA1
шанс, можливість
Dit is een mooie kans voor jou.
kastA1
шафа
Je jas hangt in de kast.
keelA1
горло
Ik heb pijn in mijn keel.
keerA1
раз
Ik ga twee keer per week sporten.
kelderA1
підвал
De fietsen staan in de kelder.
kerkA1
церква
De kerk staat op het plein.
keukenA1
кухня
De keuken is net schoongemaakt.
kinA1
підборіддя
Hij stootte zijn kin bij het vallen.
kindA1
дитина
Het kind speelt in de tuin.
kipA1
курка
Ik eet liever kip dan rundvlees.
kleindochterA1
онука
Zijn kleindochter gaat al naar school.
kleinkindA1
онук, онука
Zij heeft drie kleinkinderen.
kleinzoonA1
онук
Haar kleinzoon is net geboren.
klerenA1
одяг
Ik koop nieuwe kleren.
kleurA1
колір
Welke kleur vind je mooi?
klokA1
годинник (настінний)
De klok in de keuken loopt voor.
knieA1
коліно
Mijn knie doet pijn bij het lopen.
koekA1
печиво
Bij de koffie krijg je een koekje.
koelkastA1
холодильник
De melk staat in de koelkast.
koffieA1
кава
Zullen we een kopje koffie drinken?
komkommerA1
огірок
Snijd de komkommer in plakjes.
koolA1
капуста
In de winter eten we vaak kool.
kopjeA1
чашка
Wil je een kopje thee?
krantA1
газета
Mijn vader leest elke dag de krant.
kussenA1
подушка
Dit kussen is te hard.

