Словник
612 слів · сторінка 5 з 25
druifA1
виноград
Deze druiven zijn erg zoet.
duizendA1
тисяча
Er kwamen duizend bezoekers.
dunA1
тонкий
Snijd het brood dun.
durvenA1
наважуватися
Ik durf het niet te vragen.
dusA1
отже, тому
Het is laat, dus ik ga naar huis.
echtA1
справжній, справді
Is dat echt waar?
echtgenootA1
чоловік (подружжя)
Haar echtgenoot werkt in het buitenland.
eergisterenA1
позавчора
Eergisteren was ik bij de dokter.
eerstA1
спочатку
Ik ga eerst douchen.
eersteA1
перший
Dit is mijn eerste dag hier.
eiA1
яйце
Ik eet 's ochtends een ei.
elfA1
одинадцять
De winkel sluit om elf uur.
elkaarA1
один одного
We helpen elkaar.
elleboogA1
лікоть
Ik heb mijn elleboog gestoten.
emmerA1
відро
Vul de emmer met water.
enA1
і
Ik neem brood en kaas.
enkelA1
щиколотка
Ik heb mijn enkel verzwikt.
envelopA1
конверт
Doe de brief in een envelop.
ergA1
дуже; погано
Dat is erg vervelend.
erwtA1
горох
Erwtensoep is een Nederlands wintergerecht.
etenA1
їжа
Nederlands eten is soms heel simpel.
evenA1
хвилинку, трохи
Wacht even, ik kom eraan.
familieA1
сім'я
Mijn familie komt zondag eten.
familiebezoekA1
візит родичів
Zondag hebben we familiebezoek.
familielidA1
член сім'ї
Er komt een familielid op bezoek.

