Словник
277 слів · сторінка 5 з 12
kijkenA2
дивитися
We kijken vanavond naar een film.
klaarmakenA2
приготувати
Ik maak het eten klaar.
klagenB1
скаржитися
De buren klagen over het lawaai.
kloppenA2
бути правильним; стукати
Klopt dit adres?
kokenA2
готувати
Wie kookt er vanavond?
komenA1
приходити
Kom je vanavond ook?
kopenA1
купувати
Ik koop brood bij de bakker.
krijgenA1
отримувати
Ik heb een brief gekregen.
kunnenA1
могти, уміти
Kun je mij helpen?
lachenA1
сміятися
We hebben veel gelachen.
langskomenA2
заходити, заглядати
Kom je vanavond even langs?
latenA2
дозволяти; віддавати (у ремонт)
Ik laat mijn fiets repareren.
leggenA1
класти
Leg het boek op tafel.
lenenA2
позичати
Kan ik tien euro van je lenen?
lerenA2
вчити(ся)
Ik leer nu een jaar Nederlands.
lezenA2
читати
Lees de tekst nog een keer.
liggenA1
лежати, знаходитися
Het boek ligt op tafel.
lijkenA1
здаватися
Het lijkt me een goed idee.
lopenA1
ходити пішки
Ik loop elke dag naar mijn werk.
luisterenA2
слухати
Luister goed naar de vraag.
lukkenA2
вдаватися
Het is me gelukt!
mailenA2
надсилати електронною поштою
Ik mail je de documenten vanavond.
makenA1
робити, виготовляти
Ik maak het eten klaar.
meedelenB1
повідомляти (офіційно)
Wij delen u mee dat de afspraak verzet is.
meedoenA2
брати участь
Doe je mee met de cursus?

