Словник
1230 слів · сторінка 40 з 50
trakterenA2
пригощати
Op je verjaardag trakteer je op gebak.
tramA2
трамвай
Neem tram 4 naar het centrum.
trapA1
сходи
De trap is erg steil.
treinA2
поїзд
De trein naar Amsterdam vertrekt zo.
treinkaartjeA2
квиток на потяг
Koop je treinkaartje van tevoren.
treinreisA2
поїздка потягом
De treinreis duurt anderhalf uur.
treinstoringA2
збій у русі потягів
Door een treinstoring reden er geen treinen.
trouwenA1
одружуватися, виходити заміж
Zij gaan in juni trouwen.
trouwensA2
до речі
Trouwens, heb je die brief al gelezen?
tuinA1
сад
We hebben een kleine tuin achter het huis.
tuinonderhoudA2
догляд за садом
Het tuinonderhoud doen we zelf.
tuinpadA1
садова доріжка
Het tuinpad ligt vol bladeren.
tuinstoelA1
садовий стілець
De tuinstoelen staan in de schuur.
tunnelA2
тунель
Door de tunnel ben je er sneller.
tussenA1
між
De winkel zit tussen de bank en het café.
twaalfA1
дванадцять
We eten om twaalf uur.
tweeA1
два
Ik heb twee kinderen.
tweedeA1
другий
Neem de tweede straat rechts.
tweedehandsA2
вживаний
Ik heb mijn fiets tweedehands gekocht.
tweelingA1
близнюки
Zij heeft een tweeling gekregen.
twintigA1
двадцять
Het kost twintig euro.
typischA2
типовий
Dat is typisch Nederlands.
uiA1
цибуля
Van een ui moet ik huilen.
uitA1
з
Ik kom uit Oekraïne.
uitgaveA2
витрата
Dit is een grote uitgave voor ons.

