Словник
1230 слів · сторінка 33 з 50
rekenenA2
рахувати, обчислювати
Ik moet even rekenen hoeveel het kost.
rekeningA2
рахунок
De rekening komt volgende week.
rekeningnummerA2
номер рахунку
Geef je rekeningnummer door.
rennenA1
бігати
De kinderen rennen door de tuin.
renteA2
відсоток (за вкладом)
De rente op de spaarrekening is laag.
reparatieA2
ремонт (полагодження)
De reparatie wordt door de verhuurder betaald.
restaurantA2
ресторан
We gaan uit eten in een Italiaans restaurant.
restjeA2
залишки їжі
Van de restjes maak ik morgen soep.
retournerenA2
повертати (товар)
Je kunt het binnen 14 dagen retourneren.
retourzendingA2
повернення товару
De retourzending is gratis.
richtingA2
напрямок
Je moet de andere richting op.
rijA2
черга
Er staat een lange rij bij de kassa.
rijdenA2
їхати, керувати
Hij rijdt elke dag naar zijn werk.
rijkA1
багатий
Zij komt uit een rijke familie.
rijstA1
рис
We eten vanavond rijst met groente.
roepenA1
кликати, гукати
Roep me als je klaar bent.
roerenA2
помішувати
Blijf roeren tot de saus dik wordt.
rommelA1
безлад
Wat een rommel in deze kamer!
rondA1
круглий
De tafel is rond.
roodA1
червоний
Ze draagt een rode jas.
roomA1
вершки
Wil je room bij de koffie?
roosterA2
графік, розклад
Het rooster voor volgende week hangt er.
rotondeA2
кругова розв'язка
Neem op de rotonde de tweede afslag.
rozeA1
рожевий
Zij draagt een roze jurk.
rugA1
спина
Ik heb last van mijn rug.

