Словник
62 слів · сторінка 3 з 3
vertellenA1
розповідати
Vertel eens, hoe was je dag?
wandelenA1
гуляти
We gaan zondag wandelen.
werkenA1
працювати
Zij werkt in een ziekenhuis.
wetenA1
знати
Ik weet het niet.
willenA1
хотіти
Ik wil graag koffie.
wonenA1
жити, мешкати
Wij wonen in Utrecht.
zeggenA1
казати, сказати
Wat zei je?
zettenA1
ставити
Zet de stoel bij het raam.
zienA1
бачити
Ik zie je morgen.
zijnA1
бути
Ik ben blij dat je er bent.
zittenA1
сидіти
Zij zit op de bank.
zullenA1
буде (майб. час)
Zullen we koffie drinken?

