Словник
612 слів · сторінка 20 з 25
tanteA1
тітка
Mijn tante komt op bezoek.
tasA1
сумка
Mijn tas staat naast de stoel.
teenA1
палець ноги
Ik stootte mijn teen tegen de tafel.
telefoonA1
телефон
Mijn telefoon is leeg.
televisieA1
телевізор
De televisie staat de hele dag aan.
tellenA1
рахувати
Kun je tot tien tellen in het Nederlands?
terugA1
назад
Ik ben om zes uur terug.
theeA1
чай
Ik drink liever thee dan koffie.
thuisA1
вдома
Vandaag werk ik thuis.
tienA1
десять
Ik heb nog tien minuten.
tijdA1
час
Ik heb geen tijd vandaag.
tijdensA1
під час
Tijdens de les mag je niet bellen.
toiletA1
туалет
Waar is het toilet?
tomaatA1
помідор
Doe een tomaat in de salade.
tongA1
язик (орган)
Steek uw tong uit, zegt de dokter.
totA1
до
De winkel is open tot zes uur.
tot ziensA1
до побачення
Tot ziens, fijne dag nog!
touwA1
мотузка
Bind de doos vast met touw.
trapA1
сходи
De trap is erg steil.
trouwenA1
одружуватися, виходити заміж
Zij gaan in juni trouwen.
tuinA1
сад
We hebben een kleine tuin achter het huis.
tuinpadA1
садова доріжка
Het tuinpad ligt vol bladeren.
tuinstoelA1
садовий стілець
De tuinstoelen staan in de schuur.
tussenA1
між
De winkel zit tussen de bank en het café.
twaalfA1
дванадцять
We eten om twaalf uur.

