Словник
198 слів · сторінка 2 з 8
dansenA2
танцювати
Op het feest werd er gedanst.
delenA1
ділити(ся)
We delen de kosten samen.
denkenA1
думати
Ik denk dat het goed komt.
doenA1
робити
Wat doe je in het weekend?
downloadenA2
завантажувати
Download de app op je telefoon.
dragenA1
носити
Hij draagt een zwarte jas.
drinkenA1
пити
Wat wil je drinken?
dromenA1
бачити сни, мріяти
Ik droomde vannacht over mijn familie.
durenA2
тривати
Hoe lang duurt de les?
durvenA1
наважуватися
Ik durf het niet te vragen.
dweilenA2
мити підлогу
De vloer moet nog gedweild worden.
fietsenA1
їздити на велосипеді
Ik fiets elke dag naar school.
gaanA1
йти, їхати
Ik ga morgen naar Amsterdam.
gebeurenA2
відбуватися
Wat is er gebeurd?
gebruikenA2
використовувати
Mag ik je telefoon even gebruiken?
geldenA2
діяти, поширюватися
Deze regel geldt voor iedereen.
gelovenA1
вірити
Ik geloof je wel.
genezenA2
загоюватися, зцілювати
De wond is goed genezen.
gevenA1
давати
Geef mij het zout, alsjeblieft.
groetenA2
вітатися
Groet je buren als je ze tegenkomt.
halenA2
забирати, приносити
Ik haal even brood.
hebbenA1
мати
Wij hebben twee kinderen.
helpenA2
допомагати
Kun je me even helpen?
herinnerenA2
пам'ятати, згадувати
Ik herinner me haar naam niet meer.
herkennenA2
впізнавати
Ik herkende hem meteen.

