Словник
612 слів · сторінка 19 з 25
spelenA1
гратися
De kinderen spelen in de tuin.
spiegelA1
дзеркало
Er hangt een spiegel in de gang.
spierA1
м'яз
Na het sporten doen mijn spieren pijn.
spinazieA1
шпинат
Spinazie zit vol ijzer.
springenA1
стрибати
Hij sprong over de sloot.
spullenA1
речі
Neem je spullen mee.
staanA1
стояти
De auto staat voor het huis.
stadA1
місто
Amsterdam is een grote stad.
sterkA1
сильний
Hij is heel sterk.
stiefmoederA1
мачуха
Zijn stiefmoeder woont bij hen in huis.
stilA1
тихий
Wees even stil, alsjeblieft.
stoelA1
стілець
Neem een stoel en ga zitten.
stopcontactA1
розетка
Er is hier geen stopcontact.
straatA1
вулиця
Ik woon in een rustige straat.
straksA1
скоро, згодом
Ik bel je straks even terug.
stroopwafelA1
стропвафля
Een stroopwafel bij de koffie is heerlijk.
stukA1
шматок
Wil je een stuk taart?
sturenA1
надсилати
Ik stuur je vanavond een bericht.
suikervrijA1
без цукру
Deze thee is suikervrij.
taalA1
мова
Nederlands is een moeilijke taal.
taartA1
торт
Op mijn verjaardag maak ik een taart.
tachtigA1
вісімдесят
Mijn oma is tachtig jaar.
tafelA1
стіл
Het eten staat op tafel.
tandA1
зуб
Er is een tand afgebroken.
tandenborstelA1
зубна щітка
Vergeet je tandenborstel niet.

