Словник
1053 слів · сторінка 17 з 43
de kassaA2
каса
Bij de kassa is een lange rij.
de kassamedewerkerA2
касир
De kassamedewerker was heel vriendelijk.
de kastA1
шафа
Je jas hangt in de kast.
de keelA1
горло
Ik heb pijn in mijn keel.
de keelpijnA2
біль у горлі
Ik heb keelpijn en kan slecht slikken.
de keerA1
раз
Ik ga twee keer per week sporten.
de kelderA1
підвал
De fietsen staan in de kelder.
de kennisA1
знання
Hij heeft veel kennis van computers.
знайомий (людина)
Een kennis van mij werkt bij die school.
de kerkA1
церква
De kerk staat op het plein.
de keukenA1
кухня
De keuken is net schoongemaakt.
de keuzeA2
вибір
Er is genoeg keuze.
de kiloA1
кілограм
Een kilo appels kost op de markt twee euro.
de kinA1
підборіддя
Hij stootte zijn kin bij het vallen.
het kindA1
дитина
Het kind speelt in de tuin.
de kinderbijslagA2
допомога на дитину
Ouders krijgen elk kwartaal kinderbijslag.
de kipA1
курка
Ik eet liever kip dan rundvlees.
de klantA2
клієнт, покупець
De klant heeft altijd gelijk.
de klantenkaartA2
картка постійного клієнта
Met een klantenkaart spaar je punten.
de klantenserviceA2
служба роботи з клієнтами
Bel de klantenservice als het niet werkt.
de klasA1
клас (група учнів)
In mijn klas zitten studenten uit tien landen.
de klasgenootA2
однокласник
Mijn klasgenoot komt uit Syrië.
het klaslokaalA2
класна кімната
Het klaslokaal is op de tweede verdieping.
de kledingA2
одяг (загалом)
In deze winkel verkopen ze kleding voor kinderen.
de kleindochterA1
онука
Zijn kleindochter gaat al naar school.
het kleinkindA1
онук, онука
Zij heeft drie kleinkinderen.

