Словник
1230 слів · сторінка 11 з 50
elleboogA1
лікоть
Ik heb mijn elleboog gestoten.
emmerA1
відро
Vul de emmer met water.
enA1
і
Ik neem brood en kaas.
energielabelA2
енергетичний клас
Dit huis heeft energielabel C.
enkelA1
щиколотка
Ik heb mijn enkel verzwikt.
enthousiastA2
захоплений
De klas was enthousiast over het uitje.
envelopA1
конверт
Doe de brief in een envelop.
ergA1
дуже; погано
Dat is erg vervelend.
ergensA2
десь
Mijn sleutels liggen hier ergens.
ervaringA2
досвід
Voor deze functie is ervaring nodig.
erwtA1
горох
Erwtensoep is een Nederlands wintergerecht.
etenA1
їжа
Nederlands eten is soms heel simpel.
etiketA2
етикетка
Kijk even op het etiket.
evenA1
хвилинку, трохи
Wacht even, ik kom eraan.
examendatumA2
дата іспиту
De examendatum staat nog niet vast.
factuurA2
рахунок-фактура
De factuur moet binnen 14 dagen betaald worden.
familieA1
сім'я
Mijn familie komt zondag eten.
familiebezoekA1
візит родичів
Zondag hebben we familiebezoek.
familielidA1
член сім'ї
Er komt een familielid op bezoek.
februariA1
лютий
In februari is het meestal koud.
feestA1
свято, вечірка
Zaterdag is er een feest.
fietsA2
велосипед
In Nederland gaat bijna iedereen met de fiets.
fietsenA1
їздити на велосипеді
Ik fiets elke dag naar school.
fietsenstallingA2
велопарковка
Zet je fiets in de fietsenstalling.
fietspompA2
велонасос
Heb je een fietspomp voor me?

