Словник
396 слів · сторінка 10 з 16
nekA1
шия
Ik heb een stijve nek.
netjesA1
охайний
Je kamer ziet er netjes uit.
neusA1
ніс
Mijn neus is verstopt.
nichtA1
двоюрідна сестра, племінниця
Mijn nicht woont in Rotterdam.
nierA1
нирка
Hij heeft problemen met zijn nieren.
nogmaalsA1
ще раз
Nogmaals bedankt voor je hulp.
nootA1
горіх
Ik ben allergisch voor noten.
novemberA1
листопад
November is een donkere maand.
nummerA1
номер
Wat is je telefoonnummer?
ochtendA1
ранок
In de ochtend drink ik koffie.
oktoberA1
жовтень
In oktober vallen de bladeren.
olijfA1
оливка, маслина
Wil je olijven bij de borrel?
omaA1
бабуся
Mijn oma is tachtig jaar.
oogA1
око
Er zit iets in mijn oog.
oomA1
дядько
Mijn oom woont in Duitsland.
oorA1
вухо
Mijn oor doet pijn.
opaA1
дідусь
Mijn opa vertelt graag verhalen.
oranjeA1
помаранчевий
Het Nederlands elftal speelt in oranje.
oudA1
старий
Dit is een oud gebouw.
oudersA1
батьки
Mijn ouders wonen nog in Polen.
paarA1
пара, кілька
Ik blijf nog een paar dagen.
pakjeA1
посилка, пачка
Er ligt een pakje voor je bij de buren.
papierA1
папір
Schrijf het op een blaadje papier.
paprikaA1
солодкий перець
Snijd de paprika in reepjes.
parapluA1
парасолька
Neem een paraplu mee, het gaat regenen.

