Словник
42 слів · сторінка 1 з 2
alleenstaandA1
самотній
Zij is een alleenstaande moeder.
anderA1
інший
Heb je een andere maat?
belangrijkA1
важливий
Dit is een belangrijke brief.
bezetA1
зайнятий
Deze plaats is bezet.
geelA1
жовтий
De bloemen in de tuin zijn geel.
gelijkA1
правий; однаковий
Je hebt gelijk.
groenA1
зелений
Het licht is groen, je mag gaan.
halfA1
половина
Het is half acht.
handigA1
зручний, практичний
Dat is een handige app.
hardA1
твердий; гучний
Het bed is te hard.
hoogA1
високий
Dat gebouw is heel hoog.
jarigA1
іменинник
Mijn zoon is vandaag jarig.
jongA1
молодий
Zij is nog heel jong.
kleinA1
маленький
Mijn kamer is klein maar gezellig.
kortA1
короткий
Het was maar een korte pauze.
koudA1
холодний
Het eten is koud geworden.
laatA1
пізно
Sorry dat ik te laat ben.
langzaamA1
повільний
Kunt u wat langzamer praten?
leegA1
порожній
Mijn glas is leeg.
lelijkA1
потворний
Dat gebouw vind ik lelijk.
leukA1
приємний, веселий
Dat was een leuke avond.
makkelijkA1
легкий
Deze oefening is makkelijk.
moeA1
втомлений
Ik ben vandaag heel moe.
moeilijkA1
важкий
Nederlands is soms moeilijk.
mooiA1
гарний
Wat een mooie foto!

