Je EigenRoute
ВхідРеєстрація

Словник

41 слів · сторінка 1 з 2

  • zachtA1

    м'який

    Dit kussen is lekker zacht.

  • zakA1

    кишеня; мішок

    Mijn sleutels zitten in mijn zak.

  • zalfA2

    мазь

    Smeer deze zalf twee keer per dag op de wond.

  • zaterdagA1

    субота

    Op zaterdag doe ik boodschappen.

  • zebrapadA2

    пішохідний перехід

    Steek over bij het zebrapad.

  • zeepA1

    мило

    Was je handen met zeep.

  • zeggenA1

    казати, сказати

    Wat zei je?

  • zekerA2

    впевнений, точно

    Weet je dat zeker?

  • zeldenA2

    рідко

    Ik ga zelden naar de bioscoop.

  • zelfA1

    сам

    Dat heb ik zelf gemaakt.

  • zenuwachtigA2

    знервований

    Ik ben zenuwachtig voor het examen.

  • zesA1

    шість

    We eten om zes uur.

  • zestigA1

    шістдесят

    Mijn vader is zestig geworden.

  • zettenA1

    ставити

    Zet de stoel bij het raam.

  • zevenA1

    сім

    Een week heeft zeven dagen.

  • zeventigA1

    сімдесят

    Buiten de bebouwde kom mag je zeventig.

  • ziekA1

    хворий

    Ik ben vandaag ziek.

  • ziekenhuisA2

    лікарня

    Ze ligt sinds gisteren in het ziekenhuis.

  • ziekmeldenA2

    повідомити про лікарняний

    Je moet je voor negen uur ziekmelden.

  • ziekteA1

    хвороба

    Het is een ziekte die vaak voorkomt.

  • zienA1

    бачити

    Ik zie je morgen.

  • zijnA1

    бути

    Ik ben blij dat je er bent.

  • zingenA2

    співати

    Op verjaardagen zingen we een lied.

  • zittenA1

    сидіти

    Zij zit op de bank.

  • zoA1

    так

    Doe het zo.