Словник
22 слів · сторінка 1 з 1
de zakA1
кишеня; мішок
Mijn sleutels zitten in mijn zak.
de zalfA2
мазь
Smeer deze zalf twee keer per dag op de wond.
de zaterdagA1
субота
Op zaterdag doe ik boodschappen.
het zebrapadA2
пішохідний перехід
Steek over bij het zebrapad.
de zeeA1
море
De zee is vandaag onrustig.
de zeepA1
мило
Was je handen met zeep.
het ziekenhuisA2
лікарня
Ze ligt sinds gisteren in het ziekenhuis.
de ziekteA1
хвороба
Het is een ziekte die vaak voorkomt.
de zijdeA2
шовк
De sjaal is van zijde.
сторона
Aan de andere zijde van de straat staat een apotheek.
de zinA2
речення
Schrijf een zin met het woord 'huis'.
бажання (zin hebben)
Ik heb geen zin om vandaag te koken.
de zolderA1
горище
De oude spullen liggen op zolder.
de zomerA1
літо
In de zomer gaan we naar het strand.
de zonA2
сонце
De zon schijnt eindelijk.
de zondagA1
неділя
Zondag zijn veel winkels dicht.
de zoonA1
син
Hun zoon gaat naar school.
de zorgA2
догляд, турбота; охорона здоров'я
De zorg in Nederland is goed geregeld.
хвилювання
Maak je geen zorgen, het komt wel goed.
de zorgtoeslagA2
допомога на медстрахування
Met een laag inkomen krijg je zorgtoeslag.
de zorgverzekeringA2
медична страховка
Een zorgverzekering is in Nederland verplicht.
het zoutA1
сіль
Er zit te veel zout in.
солоний
De soep is me veel te zout.
het zuidenA2
південь
In het zuiden van Nederland is het vaak warmer.
de zusA1
сестра
Ik bel mijn zus elke week.
de zwagerA1
шурин, дівер
Mijn zwager woont in Rotterdam.

