Словник
41 слів · сторінка 2 з 2
zoekenA2
шукати
Ik zoek mijn sleutels.
zoetA2
солодкий
Deze appel is heel zoet.
zolderA1
горище
De oude spullen liggen op zolder.
zomerA1
літо
In de zomer gaan we naar het strand.
zondagA1
неділя
Zondag zijn veel winkels dicht.
zonderA1
без
Koffie zonder suiker, alstublieft.
zoonA1
син
Hun zoon gaat naar school.
zorgenA2
забезпечувати; піклуватися
Ik zorg dat het op tijd klaar is.
zoutA1
сіль
Er zit te veel zout in.
zullenA1
буде (майб. час)
Zullen we koffie drinken?
zusA1
сестра
Ik bel mijn zus elke week.
zuurA2
кислий
De melk is zuur geworden.
zwagerA1
шурин, дівер
Mijn zwager woont in Rotterdam.
zwakA1
слабкий
Na de griep voelde ik me zwak.
zwangerA2
вагітна
Mijn zus is zeven maanden zwanger.
zwartA1
чорний
Hij heeft zwarte schoenen aan.

