Словник
33 слів · сторінка 2 з 2
witA1
білий
De muren zijn wit geverfd.
woensdagA1
середа
Woensdag zijn de kinderen vrij.
wondA1
рана
Maak de wond eerst schoon.
wonenA1
жити, мешкати
Wij wonen in Utrecht.
woonkamerA1
вітальня
De woonkamer is het grootst.
woordA1
слово
Ik ken dit woord nog niet.
worstA1
ковбаса
Bij de slager kocht ik worst.
wortelA1
морква
Doe de wortels in de soep.

