Je EigenRoute
ВхідРеєстрація

Словник

19 слів · сторінка 1 з 1

  • vallenA1

    падати

    Pas op, je valt bijna.

  • veranderenA2

    змінювати(ся)

    Er is veel veranderd dit jaar.

  • verbeterenA2

    покращувати(ся)

    Mijn Nederlands is dit jaar verbeterd.

  • verbiedenA2

    забороняти

    Roken is in het gebouw verboden.

  • verdienenA2

    заробляти

    Hoeveel verdien je per uur?

  • vergetenA2

    забувати

    Ik ben mijn telefoon vergeten.

  • verhuizenA2

    переїжджати

    We verhuizen volgende maand naar Rotterdam.

  • verkopenA1

    продавати

    Ze verkopen hier verse groente.

  • vermijdenA2

    уникати

    Probeer de spits te vermijden.

  • verplaatsenA2

    переносити

    Kunnen we de afspraak verplaatsen?

  • versturenA2

    надсилати

    Verstuur het formulier voor vrijdag.

  • vertellenA1

    розповідати

    Vertel eens, hoe was je dag?

  • vertrekkenA2

    відправлятися

    De trein vertrekt over vijf minuten.

  • verwachtenA2

    очікувати

    We verwachten hem om zes uur.

  • vindenA2

    знаходити; вважати

    Ik kan het niet vinden.

  • voelenA2

    відчувати

    Ik voel me vandaag beter.

  • voorbereidenA2

    готувати(ся)

    Ik bereid me voor op het examen.

  • voorkomenA2

    траплятися; запобігати

    Dat probleem komt hier vaak voor.

  • vragenA2

    запитувати

    Mag ik iets vragen?