Словник
21 слів · сторінка 1 з 1
tankenB1
tankte · hebben getankt
заправлятися
Ik moet nog even tanken.
tekenenA2
tekende · hebben getekend
малювати
Mijn dochter tekent graag.
tellenA1
telde · hebben geteld
рахувати
Kun je tot tien tellen in het Nederlands?
зараховуватися, мати значення
Deze oefening telt niet mee voor je eindcijfer.
terugbellenB1відокремлюваний
belde terug · hebben teruggebeld
передзвонювати
Kunt u mij vanmiddag terugbellen?
terugbetalenA2відокремлюваний
betaalde terug · hebben terugbetaald
повертати (гроші)
Ik betaal je volgende week terug.
terugkerenB1відокремлюваний
keerde terug · zijn teruggekeerd
повертатися (книжн.)
Na de vakantie keerde hij terug naar Nederland.
terugkomenA2відокремлюванийнеправильне
kwam terug · kwamen terug · zijn teruggekomen
повертатися
Hij komt volgende week terug.
testenA2
testte · hebben getest
перевіряти, тестувати
De dokter wil je bloed nog een keer testen.
thuisblijvenA2відокремлюванийнеправильне
bleef thuis · bleven thuis · zijn thuisgebleven
залишатися вдома
Ik blijf vandaag thuis.
tillenA2
tilde · hebben getild
піднімати (важке)
Deze doos is te zwaar om alleen te tillen.
timmerenB1
timmerde · hebben getimmerd
столярувати, збивати
Mijn opa timmert een vogelhuisje voor in de tuin.
toegevenB1відокремлюванийнеправильне
gaf toe · gaven toe · hebben toegegeven
визнавати
Ze gaf toe dat ze fout zat.
поступатися, піддаватися
Uiteindelijk gaf hij toe aan de druk van zijn collega's.
toestaanA2відокремлюванийнеправильне
stond toe · stonden toe · hebben toegestaan
дозволяти
Honden zijn hier niet toegestaan.
toevoegenB1відокремлюваний
voegde toe · hebben toegevoegd
додавати
Voeg nog een beetje zout aan de soep toe.
tonenB1
toonde · hebben getoond
показувати, пред'являти
Kunt u bij de ingang uw kaartje tonen?
trainenB1
trainde · hebben getraind
тренуватися
Wij trainen twee keer per week.
trakterenA2
trakteerde · hebben getrakteerd
пригощати
Op je verjaardag trakteer je op gebak.
trekkenB1неправильне
trok · trokken · hebben/zijn getrokken
тягнути; мандрувати
Je moet de deur trekken, niet duwen.
trouwenA1
trouwde · zijn getrouwd
одружуватися, виходити заміж
Zij gaan in juni trouwen.
tuinierenB1
tuinierde · hebben getuinierd
займатися садом
In het voorjaar ga ik graag tuinieren.
twijfelenA2
twijfelde · hebben getwijfeld
сумніватися
Ik twijfel nog over die opleiding.

