Словник
23 слів · сторінка 1 з 1
taalA1
мова
Nederlands is een moeilijke taal.
taartA1
торт
Op mijn verjaardag maak ik een taart.
tafelA1
стіл
Het eten staat op tafel.
tandA1
зуб
Er is een tand afgebroken.
tandenborstelA1
зубна щітка
Vergeet je tandenborstel niet.
tanteA1
тітка
Mijn tante komt op bezoek.
tasA1
сумка
Mijn tas staat naast de stoel.
teenA1
палець ноги
Ik stootte mijn teen tegen de tafel.
telefoonA1
телефон
Mijn telefoon is leeg.
televisieA1
телевізор
De televisie staat de hele dag aan.
terugA1
назад
Ik ben om zes uur terug.
theeA1
чай
Ik drink liever thee dan koffie.
thuisA1
вдома
Vandaag werk ik thuis.
tijdA1
час
Ik heb geen tijd vandaag.
toiletA1
туалет
Waar is het toilet?
tomaatA1
помідор
Doe een tomaat in de salade.
tongA1
язик (орган)
Steek uw tong uit, zegt de dokter.
touwA1
мотузка
Bind de doos vast met touw.
trapA1
сходи
De trap is erg steil.
tuinA1
сад
We hebben een kleine tuin achter het huis.
tuinpadA1
садова доріжка
Het tuinpad ligt vol bladeren.
tuinstoelA1
садовий стілець
De tuinstoelen staan in de schuur.
tweelingA1
близнюки
Zij heeft een tweeling gekregen.

