Словник
15 слів · сторінка 1 з 1
raamA1
вікно
Het raam staat open.
radenA1
вгадувати
Raad eens wie ik zag!
rechtsA1
праворуч
De supermarkt is rechts van het station.
reizenA1
подорожувати, їздити
Ik reis elke dag met de trein.
rennenA1
бігати
De kinderen rennen door de tuin.
rijkA1
багатий
Zij komt uit een rijke familie.
rijstA1
рис
We eten vanavond rijst met groente.
roepenA1
кликати, гукати
Roep me als je klaar bent.
rommelA1
безлад
Wat een rommel in deze kamer!
rondA1
круглий
De tafel is rond.
roodA1
червоний
Ze draagt een rode jas.
roomA1
вершки
Wil je room bij de koffie?
rozeA1
рожевий
Zij draagt een roze jurk.
rugA1
спина
Ik heb last van mijn rug.
rugzakA1
рюкзак
Mijn boeken zitten in mijn rugzak.

