Словник
29 слів · сторінка 1 з 2
paarA1
пара, кілька
Ik blijf nog een paar dagen.
paarsA1
фіолетовий
De bloemen in de tuin zijn paars.
pakjeA1
посилка, пачка
Er ligt een pakje voor je bij de buren.
pakkenA1
брати, хапати
Pak even een glas voor me.
papierA1
папір
Schrijf het op een blaadje papier.
paprikaA1
солодкий перець
Snijd de paprika in reepjes.
parapluA1
парасолька
Neem een paraplu mee, het gaat regenen.
pardonA1
перепрошую
Pardon, mag ik er even langs?
parkA1
парк
We wandelen graag in het park.
partnerA1
партнер
Mijn partner werkt in het onderwijs.
pastaA1
макарони
Vanavond maak ik pasta.
patatA1
картопля фрі
Op vrijdag eten we patat.
peerA1
груша
Deze peer is heel zoet.
penA1
ручка
Heb je een pen voor me?
peperA1
перець
Doe er wat peper op.
pijnA1
біль
Heb je veel pijn?
pindakaasA1
арахісова паста
Pindakaas is populair in Nederland.
pizzaA1
піца
Vanavond bestellen we pizza.
plaatsA1
місце
Is deze plaats vrij?
plafondA1
стеля
Het plafond is net geverfd.
plantA1
рослина
Vergeet de planten niet water te geven.
pleinA1
площа
Op het plein is elke week markt.
poetsenA1
чистити
Poets je tanden twee keer per dag.
polsA1
зап'ястя
Ik heb mijn pols verstuikt.
portemonneeA1
гаманець
Mijn portemonnee zit in mijn tas.

