Je EigenRoute
ВхідРеєстрація

Словник

28 слів · сторінка 1 з 2

  • naA1

    після

    Na het eten gaan we wandelen.

  • naamA1

    ім'я

    Wat is jouw naam?

  • naarA1

    до, в (напрямок)

    Ik ga naar mijn werk.

  • naastA1

    поруч із

    Hij zit naast mij.

  • nachtA1

    ніч

    Vannacht heb ik slecht geslapen.

  • nagelA1

    ніготь

    Mijn nagels zijn te lang.

  • natA1

    мокрий

    Mijn jas is helemaal nat.

  • neefA1

    двоюрідний брат, племінник

    Mijn neef is even oud als ik.

  • negenA1

    дев'ять

    De winkel opent om negen uur.

  • negentigA1

    дев'яносто

    Hij werd negentig jaar oud.

  • nekA1

    шия

    Ik heb een stijve nek.

  • nemenA1

    брати

    Ik neem de trein van acht uur.

  • netA1

    щойно

    Hij is net weggegaan.

  • netjesA1

    охайний

    Je kamer ziet er netjes uit.

  • neusA1

    ніс

    Mijn neus is verstopt.

  • nichtA1

    двоюрідна сестра, племінниця

    Mijn nicht woont in Rotterdam.

  • niemandA1

    ніхто

    Er is niemand thuis.

  • nierA1

    нирка

    Hij heeft problemen met zijn nieren.

  • nietA1

    не

    Ik begrijp het niet.

  • nietsA1

    нічого

    Ik heb niets gezegd.

  • nieuwA1

    новий

    Ik heb een nieuwe telefoon.

  • nogA1

    ще

    Ik ben nog niet klaar.

  • nogmaalsA1

    ще раз

    Nogmaals bedankt voor je hulp.

  • nooitA1

    ніколи

    Ik drink nooit alcohol.

  • nootA1

    горіх

    Ik ben allergisch voor noten.