Словник
9 слів · сторінка 1 з 1
mailenA2
надсилати електронною поштою
Ik mail je de documenten vanavond.
makenA1
робити, виготовляти
Ik maak het eten klaar.
meedoenA2
брати участь
Doe je mee met de cursus?
meemakenA2
переживати, зазнавати
Ik heb veel meegemaakt dit jaar.
meenemenA2
брати з собою
Neem je paspoort mee.
merkenA2
помічати
Ik merk dat het beter gaat.
missenA2
пропустити; сумувати
Ik heb de bus gemist.
moetenA1
мусити
Ik moet nu weg.
mogenA1
можна, мати право
Mag ik hier zitten?

