Словник
41 слів · сторінка 1 з 2
laagA1
низький
De prijs is nu laag.
de laag
шар
Er ligt een dikke laag sneeuw op straat.
het lakenA1
простирадло
De lakens moeten in de was.
de lampA1
лампа
De lamp in de gang is kapot.
het landA1
країна
Uit welk land kom je?
de laptopA1
ноутбук
Thuis werk ik het liefst op mijn laptop.
de leeftijdA1
вік
Wat is de leeftijd van je kinderen?
het leerboekA2
підручник
Neem je leerboek mee naar de les.
de leerlingA2
учень
In deze klas zitten 25 leerlingen.
de leerplichtA2
обов'язкова шкільна освіта
In Nederland geldt leerplicht tot achttien jaar.
het legerA1
армія
Het leger hielp bij de evacuatie.
de lengteA2
довжина; зріст
Wat is je lengte en je gewicht?
de lenteA1
весна
In de lente bloeien de tulpen.
de lepelA1
ложка
Ik eet soep met een lepel.
de leraarA2
учитель
De leraar legt het nog een keer uit.
de lesA1
урок, заняття
De les Nederlands begint om negen uur.
het lesmateriaalA2
навчальні матеріали
Het lesmateriaal krijg je bij de eerste les.
het lesroosterA2
розклад занять
Het lesrooster hangt bij de ingang.
het lesuurA2
навчальна година
Een lesuur duurt vijftig minuten.
de letterA1
літера
Schrijf je naam met grote letters.
levenA1
leefde · hebben geleefd
жити
Mijn opa leeft nog en is al negentig jaar.
het leven
життя
Het leven hier is heel anders.
de leveringA2
доставка
De levering duurt drie werkdagen.
de levertijdA2
термін доставки
De levertijd is drie werkdagen.
het lichaamA1
тіло
Beweging is goed voor je lichaam.
het lichtA1
світло
Doe het licht even aan.
легкий; світлий
Deze jas is heel licht, ideaal voor de zomer.
het lidA2
член (організації)
Ik ben vorig jaar lid geworden van de bibliotheek.

