Словник
30 слів · сторінка 1 з 2
laagA1
низький
De prijs is nu laag.
laatA1
пізно
Sorry dat ik te laat ben.
laatsteA1
останній
Dit is de laatste bus.
lachenA1
сміятися
We hebben veel gelachen.
lakenA1
простирадло
De lakens moeten in de was.
lampA1
лампа
De lamp in de gang is kapot.
landA1
країна
Uit welk land kom je?
langA1
довго, довгий
Het duurt niet lang.
langzaamA1
повільний
Kunt u wat langzamer praten?
laterA1
пізніше
We bellen later wel even.
leegA1
порожній
Mijn glas is leeg.
leggenA1
класти
Leg het boek op tafel.
lelijkA1
потворний
Dat gebouw vind ik lelijk.
lenteA1
весна
In de lente bloeien de tulpen.
lepelA1
ложка
Ik eet soep met een lepel.
letterA1
літера
Schrijf je naam met grote letters.
leukA1
приємний, веселий
Dat was een leuke avond.
levenA1
життя; жити
Het leven hier is heel anders.
lichaamA1
тіло
Beweging is goed voor je lichaam.
lichtA1
світло
Doe het licht even aan.
lieverA1
краще, радше
Ik drink liever thee.
liggenA1
лежати, знаходитися
Het boek ligt op tafel.
lijkenA1
здаватися
Het lijkt me een goed idee.
limonadeA1
лимонад
De kinderen krijgen limonade.
linksA1
ліворуч
Sla bij de kerk links af.

