Словник
41 слів · сторінка 1 з 2
kaarsA1
свічка
Op tafel brandt een kaars.
kaartA1
листівка; карта
Ik stuur haar een kaart voor haar verjaardag.
kaasA1
сир
Nederlandse kaas is bekend in de wereld.
kachelA1
обігрівач, піч
Zet de kachel wat hoger.
kamA1
гребінець
Mag ik je kam even lenen?
kamerA1
кімната
Mijn kamer is niet zo groot.
kaneelA1
кориця
Doe wat kaneel op de appels.
kansA1
шанс, можливість
Dit is een mooie kans voor jou.
kastA1
шафа
Je jas hangt in de kast.
keelA1
горло
Ik heb pijn in mijn keel.
keerA1
раз
Ik ga twee keer per week sporten.
kelderA1
підвал
De fietsen staan in de kelder.
kennenA1
знати (когось)
Ken je die man?
kerkA1
церква
De kerk staat op het plein.
keukenA1
кухня
De keuken is net schoongemaakt.
kinA1
підборіддя
Hij stootte zijn kin bij het vallen.
kindA1
дитина
Het kind speelt in de tuin.
kipA1
курка
Ik eet liever kip dan rundvlees.
kleinA1
маленький
Mijn kamer is klein maar gezellig.
kleindochterA1
онука
Zijn kleindochter gaat al naar school.
kleinkindA1
онук, онука
Zij heeft drie kleinkinderen.
kleinzoonA1
онук
Haar kleinzoon is net geboren.
klerenA1
одяг
Ik koop nieuwe kleren.
kleurA1
колір
Welke kleur vind je mooi?
klokA1
годинник (настінний)
De klok in de keuken loopt voor.

