Словник
12 слів · сторінка 1 з 1
kamperenB1
жити в наметі
We gaan deze zomer kamperen in Frankrijk.
kennenA1
знати (когось)
Ken je die man?
kiezenA2
вибирати
Je moet zelf kiezen.
kijkenA2
дивитися
We kijken vanavond naar een film.
klaarmakenA2
приготувати
Ik maak het eten klaar.
klagenB1
скаржитися
De buren klagen over het lawaai.
kloppenA2
бути правильним; стукати
Klopt dit adres?
kokenA2
готувати
Wie kookt er vanavond?
komenA1
приходити
Kom je vanavond ook?
kopenA1
купувати
Ik koop brood bij de bakker.
krijgenA1
отримувати
Ik heb een brief gekregen.
kunnenA1
могти, уміти
Kun je mij helpen?

