Словник
79 слів · сторінка 1 з 4
kaarsA1
свічка
Op tafel brandt een kaars.
kaartA1
листівка; карта
Ik stuur haar een kaart voor haar verjaardag.
kaartjeA2
квиток
Ik heb mijn kaartje al gekocht.
kaasA1
сир
Nederlandse kaas is bekend in de wereld.
kachelA1
обігрівач, піч
Zet de kachel wat hoger.
kamA1
гребінець
Mag ik je kam even lenen?
kamerA1
кімната
Mijn kamer is niet zo groot.
kaneelA1
кориця
Doe wat kaneel op de appels.
kansA1
шанс, можливість
Dit is een mooie kans voor jou.
kantoorA2
офіс
Ons kantoor is vlak bij het station.
kantoorurenA2
робочі години офісу
Bel tijdens kantooruren.
kassaA2
каса
Bij de kassa is een lange rij.
kassamedewerkerA2
касир
De kassamedewerker was heel vriendelijk.
kastA1
шафа
Je jas hangt in de kast.
keelA1
горло
Ik heb pijn in mijn keel.
keelpijnA2
біль у горлі
Ik heb keelpijn en kan slecht slikken.
keerA1
раз
Ik ga twee keer per week sporten.
kelderA1
підвал
De fietsen staan in de kelder.
kennisB1
знання
Hij heeft veel kennis van computers.
kennistoetsB1
тест на знання
De kennistoets bestaat uit veertig vragen.
kerkA1
церква
De kerk staat op het plein.
keukenA1
кухня
De keuken is net schoongemaakt.
keuzeA2
вибір
Er is genoeg keuze.
kilometerB1
кілометр
Het is nog twintig kilometer rijden.
kinA1
підборіддя
Hij stootte zijn kin bij het vallen.

