Словник
12 слів · сторінка 1 з 1
jaarA1
рік
Ik woon hier al drie jaar.
jaarlijksA1
щорічно
Er is jaarlijks een buurtfeest.
jaloersA2
заздрісний, ревнивий
Hij is een beetje jaloers op zijn broer.
jamA1
джем, варення
Ik eet brood met jam.
januariA1
січень
Mijn cursus begint in januari.
jarigA1
іменинник
Mijn zoon is vandaag jarig.
jasA1
куртка
Doe je jas aan, het is koud.
jongA1
молодий
Zij is nog heel jong.
jongenA1
хлопчик
Die jongen is mijn zoon.
juliA1
липень
In juli gaan we op vakantie.
juniA1
червень
In juni beginnen de examens.
jurkA1
сукня
Ze kocht een nieuwe jurk voor het feest.

