Словник
64 слів · сторінка 1 з 3
gaanA1
йти, їхати
Ik ga morgen naar Amsterdam.
gangA1
коридор
Zet je schoenen in de gang.
garageA1
гараж
De fiets staat in de garage.
garantieA2
гарантія
Er zit twee jaar garantie op.
gauwA1
скоро
Tot gauw!
gebakA1
випічка, тістечко
Bij de koffie was er gebak.
gebeurenA2
відбуватися
Wat is er gebeurd?
gebruikA2
використання
Het gebruik van de app is gratis.
gebruikelijkA2
прийнятий, звичайний
Het is hier gebruikelijk om af te spreken.
gebruikenA2
використовувати
Mag ik je telefoon even gebruiken?
geduldigA2
терплячий
De docent is heel geduldig.
geelA1
жовтий
De bloemen in de tuin zijn geel.
geenA1
немає, жодний
Ik heb geen tijd.
geïrriteerdA2
роздратований
Hij raakte geïrriteerd door het wachten.
geldA2
гроші
Ik heb geen geld bij me.
geldautomaatA2
банкомат
Er staat een geldautomaat bij de supermarkt.
geldbedragA2
грошова сума
Vul het geldbedrag in cijfers in.
geldenA2
діяти, поширюватися
Deze regel geldt voor iedereen.
geldzorgenA2
грошові проблеми
Veel gezinnen hebben geldzorgen.
gelijkA1
правий; однаковий
Je hebt gelijk.
gelovenA1
вірити
Ik geloof je wel.
geluidsoverlastA2
шумові перешкоди
We hebben veel geluidsoverlast van de buren.
gelukA1
удача, щастя
Veel geluk met je nieuwe baan!
gelukkigA2
щасливий; на щастя
Ze is gelukkig in haar nieuwe baan.
gemeubileerdA2
мебльований
Wij zoeken een gemeubileerde woning.

