Словник
9 слів · сторінка 1 з 1
gaanA1
йти, їхати
Ik ga morgen naar Amsterdam.
gebeurenA2
відбуватися
Wat is er gebeurd?
gebruikenA2
використовувати
Mag ik je telefoon even gebruiken?
geldenA2
діяти, поширюватися
Deze regel geldt voor iedereen.
gelovenA1
вірити
Ik geloof je wel.
genezenA2
загоюватися, зцілювати
De wond is goed genezen.
genietenB1
насолоджуватися
Ik geniet van het rustige weekend.
gevenA1
давати
Geef mij het zout, alsjeblieft.
groetenA2
вітатися
Groet je buren als je ze tegenkomt.

