Словник
30 слів · сторінка 1 з 2
echtA1
справжній, справді
Is dat echt waar?
echtgenootA1
чоловік (подружжя)
Haar echtgenoot werkt in het buitenland.
eenzaamA2
самотній
In het begin voelde hij zich eenzaam.
eergisterenA1
позавчора
Eergisteren was ik bij de dokter.
eerstA1
спочатку
Ik ga eerst douchen.
eersteA1
перший
Dit is mijn eerste dag hier.
eetgewoonteA2
харчова звичка
Mijn eetgewoontes zijn hier veranderd.
eetlustA2
апетит
Door de koorts heb ik geen eetlust.
eiA1
яйце
Ik eet 's ochtends een ei.
eigenlijkA2
власне, насправді
Eigenlijk vind ik het geen goed idee.
eindelijkA2
нарешті
Eindelijk is de brief er.
eindtoetsA2
підсумковий тест
De eindtoets is in juni.
elektriciteitA2
електрика
De elektriciteit is vanochtend uitgevallen.
elfA1
одинадцять
De winkel sluit om elf uur.
elkaarA1
один одного
We helpen elkaar.
elleboogA1
лікоть
Ik heb mijn elleboog gestoten.
emmerA1
відро
Vul de emmer met water.
enA1
і
Ik neem brood en kaas.
energielabelA2
енергетичний клас
Dit huis heeft energielabel C.
enkelA1
щиколотка
Ik heb mijn enkel verzwikt.
enthousiastA2
захоплений
De klas was enthousiast over het uitje.
envelopA1
конверт
Doe de brief in een envelop.
ergA1
дуже; погано
Dat is erg vervelend.
ergensA2
десь
Mijn sleutels liggen hier ergens.
ervaringA2
досвід
Voor deze functie is ervaring nodig.

