Словник
23 слів · сторінка 1 з 1
dagA1
день
Elke dag ga ik naar mijn werk.
dagelijksA1
щодня
Ik oefen dagelijks een half uur.
dankjewelA1
дякую
Dankjewel voor je hulp.
datumA1
дата
Wat is de datum van vandaag?
decemberA1
грудень
In december zijn er veel feestdagen.
dekbedA1
ковдра
In de winter gebruik ik een dik dekbed.
deurA1
двері
Doe je de deur even dicht?
dichtA1
зачинений
Op zondag zijn de winkels dicht.
dikA1
товстий
Trek een dikke jas aan.
dingA1
річ
Wat is dat voor een ding?
dinsdagA1
вівторок
Dinsdag heb ik een afspraak.
dochterA1
донька
Onze dochter is vijf jaar oud.
doekA1
ганчірка
Veeg de tafel af met een doek.
dokterA1
лікар
Ik ga morgen naar de dokter.
donderdagA1
четвер
De les is op donderdagavond.
doosA1
коробка
De boeken zitten in een doos.
dorpA1
село
Zij komt uit een klein dorp.
dorstA1
спрага
Heb je dorst?
doucheA1
душ
Ik neem 's ochtends een douche.
drempelA1
поріг
Pas op voor de drempel bij de deur.
droogA1
сухий
De was is nog niet droog.
druifA1
виноград
Deze druiven zijn erg zoet.
dunA1
тонкий
Snijd het brood dun.

