Словник
40 слів · сторінка 1 з 2
daarA1
там
Daar staat mijn fiets.
dagA1
день
Elke dag ga ik naar mijn werk.
dagelijksA1
щодня
Ik oefen dagelijks een half uur.
danA1
потім, тоді
Eerst eten, dan afwassen.
dankjewelA1
дякую
Dankjewel voor je hulp.
datumA1
дата
Wat is de datum van vandaag?
decemberA1
грудень
In december zijn er veel feestdagen.
dekbedA1
ковдра
In de winter gebruik ik een dik dekbed.
delenA1
ділити(ся)
We delen de kosten samen.
denkenA1
думати
Ik denk dat het goed komt.
derdeA1
третій
Wij wonen op de derde verdieping.
dertigA1
тридцять
Ik ben dertig jaar oud.
deurA1
двері
Doe je de deur even dicht?
dichtA1
зачинений
Op zondag zijn de winkels dicht.
dichtbijA1
близько
De school is heel dichtbij.
dikA1
товстий
Trek een dikke jas aan.
dingA1
річ
Wat is dat voor een ding?
dinsdagA1
вівторок
Dinsdag heb ik een afspraak.
dochterA1
донька
Onze dochter is vijf jaar oud.
doeiA1
бувай
Doei, tot morgen!
doekA1
ганчірка
Veeg de tafel af met een doek.
doenA1
робити
Wat doe je in het weekend?
dokterA1
лікар
Ik ga morgen naar de dokter.
donderdagA1
четвер
De les is op donderdagavond.
doorA1
через; через (причина)
We liepen door het park.

