Словник
109 слів · сторінка 1 з 5
baanA2
робота
Zij heeft een nieuwe baan gevonden.
baasA2
начальник
Mijn baas is vandaag afwezig.
babyA1
немовля
De baby slaapt nu.
badkamerA1
ванна кімната
De badkamer is boven.
badkuipA2
ванна
In deze badkamer staat geen badkuip.
bagageA2
багаж
Laat je bagage niet alleen achter.
bakkenA2
смажити, пекти
Ik bak een ei voor het ontbijt.
bakkerA2
пекарня, пекар
Ik haal brood bij de bakker.
balkonA2
балкон
Op het balkon staan planten.
banaanA1
банан
Wil je een banaan?
bandA2
шина, покришка
Mijn band is lek.
bangA2
наляканий
Ik ben bang voor honden.
bankA2
банк
Ik heb een rekening bij deze bank.
bankrekeningA2
банківський рахунок
Je hebt een bankrekening nodig voor je salaris.
batterijA1
батарейка
De batterij is leeg.
bedA1
ліжко
Ik ga vroeg naar bed.
bedankenA2
дякувати
Ik wil je bedanken voor je hulp.
bedervenA2
псуватися
Vlees bederft snel in de warmte.
bedragA2
сума
Het bedrag staat onderaan de rekening.
bedrijfA2
компанія, фірма
Zij werkt bij een groot bedrijf.
bedrijfskledingA2
робоча форма
De bedrijfskleding krijg je van je werkgever.
bedrijfsregelsA2
правила компанії
Lees de bedrijfsregels op je eerste werkdag.
bedrijfsuitjeA2
корпоративний виїзд
Volgende maand is het bedrijfsuitje.
beenA1
нога
Hij heeft zijn been gebroken.
beginnenA2
починати(ся)
De les begint om negen uur.

