Словник
122 слів · сторінка 1 з 5
aardappelA1
картопля
We eten vanavond aardappelen.
aardbeiA1
полуниця
In juni zijn de aardbeien het lekkerst.
appelA1
яблуко
Ik neem een appel mee naar mijn werk.
avondetenA2
вечеря
Het avondeten is om zes uur.
azijnA1
оцет
Doe wat azijn in de salade.
bakkerA2
пекарня, пекар
Ik haal brood bij de bakker.
banaanA1
банан
Wil je een banaan?
bereidingstijdA2
час приготування
De bereidingstijd is twintig minuten.
bitterA2
гіркий
Zwarte koffie smaakt bitter.
blikjeA2
банка (бляшана)
In de koelkast staat nog een blikje.
bloemkoolA1
цвітна капуста
Vanavond eten we bloemkool.
boodschappenA2
продукти, покупки
Ik doe zaterdag boodschappen.
boonA1
квасоля, біб
Er staan bonen op het menu.
bordA1
тарілка
Zet de borden op tafel.
boterA1
масло
Doe wat boter op je brood.
boterhamA1
бутерброд
Ik neem twee boterhammen mee.
broodA1
хліб
Ik eet elke ochtend brood.
champignonA1
печериця
In de saus zitten champignons.
chocoladeA1
шоколад
Zij houdt van donkere chocolade.
citroenA1
лимон
Doe wat citroen in het water.
dieetA2
дієта
Hij volgt een streng dieet.
dorstA1
спрага
Heb je dorst?
drankA2
напій
Wat voor drank wil je erbij?
druifA1
виноград
Deze druiven zijn erg zoet.
eetgewoonteA2
харчова звичка
Mijn eetgewoontes zijn hier veranderd.

