Словник
79 слів · сторінка 2 з 4
hongerA1
голод
Ik heb honger.
honingA1
мед
Doe wat honing in je thee.
ijsA1
лід, морозиво
De kinderen willen een ijsje.
jamA1
джем, варення
Ik eet brood met jam.
kaasA1
сир
Nederlandse kaas is bekend in de wereld.
kaneelA1
кориця
Doe wat kaneel op de appels.
kipA1
курка
Ik eet liever kip dan rundvlees.
koekA1
печиво
Bij de koffie krijg je een koekje.
koffieA1
кава
Zullen we een kopje koffie drinken?
komkommerA1
огірок
Snijd de komkommer in plakjes.
koolA1
капуста
In de winter eten we vaak kool.
kopjeA1
чашка
Wil je een kopje thee?
koudA1
холодний
Het eten is koud geworden.
lepelA1
ложка
Ik eet soep met een lepel.
limonadeA1
лимонад
De kinderen krijgen limonade.
lunchA1
обід
De lunch is om half een.
meelA1
борошно
Voor dit recept heb je meel nodig.
melkA1
молоко
Wil je melk in je koffie?
mesA1
ніж
Dit mes is niet scherp.
nootA1
горіх
Ik ben allergisch voor noten.
olijfA1
оливка, маслина
Wil je olijven bij de borrel?
paprikaA1
солодкий перець
Snijd de paprika in reepjes.
pastaA1
макарони
Vanavond maak ik pasta.
patatA1
картопля фрі
Op vrijdag eten we patat.
peerA1
груша
Deze peer is heel zoet.

