Словник
43 слів · сторінка 1 з 2
babyA1
немовля
De baby slaapt nu.
bezoekA1
гості, візит
We krijgen vanavond bezoek.
broerA1
брат
Mijn broer woont in België.
buurmanA1
сусід
De buurman helpt ons vaak.
buurvrouwA1
сусідка
De buurvrouw past op de kinderen.
dochterA1
донька
Onze dochter is vijf jaar oud.
echtgenootA1
чоловік (подружжя)
Haar echtgenoot werkt in het buitenland.
familieA1
сім'я
Mijn familie komt zondag eten.
familiebezoekA1
візит родичів
Zondag hebben we familiebezoek.
familielidA1
член сім'ї
Er komt een familielid op bezoek.
getrouwdA1
одружений / заміжня
Zij is al tien jaar getrouwd.
gezinA1
сім'я (домогосподарство)
Ons gezin bestaat uit vier personen.
huisgenootA1
сусід по квартирі
Mijn huisgenoot kookt vanavond.
huwelijkA1
шлюб, весілля
Hun huwelijk was in juni.
jongenA1
хлопчик
Die jongen is mijn zoon.
kleindochterA1
онука
Zijn kleindochter gaat al naar school.
kleinkindA1
онук, онука
Zij heeft drie kleinkinderen.
kleinzoonA1
онук
Haar kleinzoon is net geboren.
meisjeA1
дівчинка
Het meisje speelt buiten.
mensenA1
люди
Er waren veel mensen op het feest.
moederA1
мати
Mijn moeder woont in Utrecht.
neefA1
двоюрідний брат, племінник
Mijn neef is even oud als ik.
nichtA1
двоюрідна сестра, племінниця
Mijn nicht woont in Rotterdam.
omaA1
бабуся
Mijn oma is tachtig jaar.
oomA1
дядько
Mijn oom woont in Duitsland.

