Словник
153 слів · сторінка 6 з 7
verplaatsenA2
переносити
Kunnen we de afspraak verplaatsen?
versturenA2
надсилати
Verstuur het formulier voor vrijdag.
vertellenA1
розповідати
Vertel eens, hoe was je dag?
verwachtenA2
очікувати
We verwachten hem om zes uur.
vindenA2
знаходити; вважати
Ik kan het niet vinden.
voelenA2
відчувати
Ik voel me vandaag beter.
voorbereidenA2
готувати(ся)
Ik bereid me voor op het examen.
voorkomenA2
траплятися; запобігати
Dat probleem komt hier vaak voor.
vragenA2
запитувати
Mag ik iets vragen?
wachtenA2
чекати
Ik wacht al een half uur.
wandelenA1
гуляти
We gaan zondag wandelen.
wassenA2
прати, мити
Ik moet nog kleren wassen.
weggaanA2
йти геть
Wanneer ga je weg?
weggooienA2
викидати
Gooi het oude papier weg.
werkenA1
працювати
Zij werkt in een ziekenhuis.
wetenA1
знати
Ik weet het niet.
willenA1
хотіти
Ik wil graag koffie.
wonenA1
жити, мешкати
Wij wonen in Utrecht.
wordenA2
ставати
Hij wil dokter worden.
zeggenA1
казати, сказати
Wat zei je?
zettenA1
ставити
Zet de stoel bij het raam.
zienA1
бачити
Ik zie je morgen.
zijnA1
бути
Ik ben blij dat je er bent.
zingenA2
співати
Op verjaardagen zingen we een lied.
zittenA1
сидіти
Zij zit op de bank.

