Словник
153 слів · сторінка 4 з 7
mogenA1
можна, мати право
Mag ik hier zitten?
naarA1
до, в (напрямок)
Ik ga naar mijn werk.
nadenkenA2
обмірковувати
Ik moet er nog even over nadenken.
nemenA1
брати
Ik neem de trein van acht uur.
ondertekenenA2
підписувати
Onderteken het contract onderaan.
ontdekkenA2
виявляти
Ik ontdekte een fout in het formulier.
onthoudenA2
запам'ятовувати
Ik kan die naam nooit onthouden.
ontmoetenA2
зустрічати, знайомитися
Ik heb haar op een cursus ontmoet.
ontvangenA2
отримувати
Ik heb je bericht ontvangen.
opbellenA2
телефонувати
Ik bel je morgen op.
openenA1
відкривати
De winkel opent om negen uur.
oplettenA2
бути уважним
Let goed op bij het oversteken.
opruimenA2
прибирати (речі)
Ruim je spullen even op.
opvallenA2
впадати в око
Het valt me op dat je beter spreekt.
opzoekenA2
шукати (у довіднику)
Zoek het woord even op.
pakkenA1
брати, хапати
Pak even een glas voor me.
poetsenA1
чистити
Poets je tanden twee keer per dag.
pratenA1
розмовляти
We praten straks verder.
printenA2
роздруковувати
Kun je dit formulier even printen?
radenA1
вгадувати
Raad eens wie ik zag!
regelenA2
залагоджувати
Ik regel het morgen wel.
reizenA1
подорожувати, їздити
Ik reis elke dag met de trein.
rekenenA2
рахувати, обчислювати
Ik moet even rekenen hoeveel het kost.
rennenA1
бігати
De kinderen rennen door de tuin.
roepenA1
кликати, гукати
Roep me als je klaar bent.

