Словник
305 слів · сторінка 3 з 13
dunA1
тонкий
Snijd het brood dun.
durvenA1
наважуватися
Ik durf het niet te vragen.
dusA1
отже, тому
Het is laat, dus ik ga naar huis.
echtA1
справжній, справді
Is dat echt waar?
eersteA1
перший
Dit is mijn eerste dag hier.
elfA1
одинадцять
De winkel sluit om elf uur.
elkaarA1
один одного
We helpen elkaar.
emmerA1
відро
Vul de emmer met water.
enA1
і
Ik neem brood en kaas.
envelopA1
конверт
Doe de brief in een envelop.
ergA1
дуже; погано
Dat is erg vervelend.
evenA1
хвилинку, трохи
Wacht even, ik kom eraan.
feestA1
свято, вечірка
Zaterdag is er een feest.
fietsenA1
їздити на велосипеді
Ik fiets elke dag naar school.
filmA1
фільм
We kijken vanavond een film.
fotoA1
фотографія
Dit is een foto van mijn familie.
foutA1
помилка; неправильний
Ik heb een fout gemaakt.
gaanA1
йти, їхати
Ik ga morgen naar Amsterdam.
geelA1
жовтий
De bloemen in de tuin zijn geel.
geenA1
немає, жодний
Ik heb geen tijd.
gelijkA1
правий; однаковий
Je hebt gelijk.
gelovenA1
вірити
Ik geloof je wel.
gelukA1
удача, щастя
Veel geluk met je nieuwe baan!
genoegA1
достатньо
Er is genoeg eten voor iedereen.
gereedschapA1
інструменти
Het gereedschap ligt in de schuur.

