Словник
153 слів · сторінка 2 з 7
durvenA1
наважуватися
Ik durf het niet te vragen.
fietsenA1
їздити на велосипеді
Ik fiets elke dag naar school.
gaanA1
йти, їхати
Ik ga morgen naar Amsterdam.
gebeurenA2
відбуватися
Wat is er gebeurd?
gebruikenA2
використовувати
Mag ik je telefoon even gebruiken?
geldenA2
діяти, поширюватися
Deze regel geldt voor iedereen.
gelovenA1
вірити
Ik geloof je wel.
gevenA1
давати
Geef mij het zout, alsjeblieft.
groetenA2
вітатися
Groet je buren als je ze tegenkomt.
halenA2
забирати, приносити
Ik haal even brood.
hebbenA1
мати
Wij hebben twee kinderen.
helpenA2
допомагати
Kun je me even helpen?
herinnerenA2
пам'ятати, згадувати
Ik herinner me haar naam niet meer.
herkennenA2
впізнавати
Ik herkende hem meteen.
hetenA1
називатися, зватися
Hoe heet jij?
hopenA1
сподіватися
Ik hoop dat het lukt.
horenA1
чути
Ik hoor je niet goed.
houdenA1
тримати; любити (van)
Ik houd van koffie.
huilenA1
плакати
De baby huilt de hele nacht.
inloggenA2
входити в акаунт
Log in met je e-mailadres.
invullenA2
заповнювати
Vul het formulier volledig in.
kennenA1
знати (когось)
Ken je die man?
kiezenA2
вибирати
Je moet zelf kiezen.
kijkenA2
дивитися
We kijken vanavond naar een film.
klaarmakenA2
приготувати
Ik maak het eten klaar.

