Словник
305 слів · сторінка 12 з 13
wegA1
дорога
Deze weg gaat naar het centrum.
weinigA1
мало
Ik heb weinig tijd.
welkeA1
який
Welke bus moet ik nemen?
welkomA1
ласкаво просимо
Welkom bij ons thuis!
wereldA1
світ
Nederlandse kaas is bekend in de hele wereld.
werkA1
робота
Ik ga om acht uur naar mijn werk.
werkenA1
працювати
Zij werkt in een ziekenhuis.
wetenA1
знати
Ik weet het niet.
wieA1
хто
Wie is dat?
willenA1
хотіти
Ik wil graag koffie.
witA1
білий
De muren zijn wit geverfd.
wonenA1
жити, мешкати
Wij wonen in Utrecht.
woordA1
слово
Ik ken dit woord nog niet.
zachtA1
м'який
Dit kussen is lekker zacht.
zakA1
кишеня; мішок
Mijn sleutels zitten in mijn zak.
zeepA1
мило
Was je handen met zeep.
zeggenA1
казати, сказати
Wat zei je?
zelfA1
сам
Dat heb ik zelf gemaakt.
zesA1
шість
We eten om zes uur.
zestigA1
шістдесят
Mijn vader is zestig geworden.
zettenA1
ставити
Zet de stoel bij het raam.
zevenA1
сім
Een week heeft zeven dagen.
zeventigA1
сімдесят
Buiten de bebouwde kom mag je zeventig.
zienA1
бачити
Ik zie je morgen.
zijnA1
бути
Ik ben blij dat je er bent.

