Словник
17 слів · сторінка 1 з 1
zachtA1
м'який
Dit kussen is lekker zacht.
zakA1
кишеня; мішок
Mijn sleutels zitten in mijn zak.
zeepA1
мило
Was je handen met zeep.
zeggenA1
казати, сказати
Wat zei je?
zelfA1
сам
Dat heb ik zelf gemaakt.
zesA1
шість
We eten om zes uur.
zestigA1
шістдесят
Mijn vader is zestig geworden.
zettenA1
ставити
Zet de stoel bij het raam.
zevenA1
сім
Een week heeft zeven dagen.
zeventigA1
сімдесят
Buiten de bebouwde kom mag je zeventig.
zienA1
бачити
Ik zie je morgen.
zijnA1
бути
Ik ben blij dat je er bent.
zittenA1
сидіти
Zij zit op de bank.
zoA1
так
Doe het zo.
zonderA1
без
Koffie zonder suiker, alstublieft.
zullenA1
буде (майб. час)
Zullen we koffie drinken?
zwartA1
чорний
Hij heeft zwarte schoenen aan.

