Словник
9 слів · сторінка 1 з 1
zeggenA1
казати, сказати
Wat zei je?
zettenA1
ставити
Zet de stoel bij het raam.
zienA1
бачити
Ik zie je morgen.
zijnA1
бути
Ik ben blij dat je er bent.
zingenA2
співати
Op verjaardagen zingen we een lied.
zittenA1
сидіти
Zij zit op de bank.
zoekenA2
шукати
Ik zoek mijn sleutels.
zorgenA2
забезпечувати; піклуватися
Ik zorg dat het op tijd klaar is.
zullenA1
буде (майб. час)
Zullen we koffie drinken?

